Kies&Co Burgerschapsonderwijs: niet speciaal en zeker niet bijzonder?

art-gs-leesplankBSDe vraag of het Kies&Co lesprogramma Actief Burgerschap & Democratie (ABD) voor onderwijs in burgerschap nou speciaal of bijzonder is, hangt af van wat onder die woorden verstaan wordt. In de Nederlandse onderwijswereld hebben die woorden namelijk een geheel eigen betekenis (bron: Wikipedia):

Speciaal onderwijs

Met speciaal onderwijs bedoelen we in Nederland onderwijs op scholen voor kinderen met leer- of gedragsproblemen, met een lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, of met een gedragsstoornis. Tot 1985 heette dit niet speciaal maar buitengewoon lager onderwijs (BLO); in België heet dit ook nu nog buitengewoon onderwijs. Daar viel bijvoorbeeld ook onderwijs aan kermis- en schipperskinderen onder. Tegenwoordig omvat speciaal onderwijs onder meer onderwijs aan dove of blinde kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK).

Er is in Nederland ook een aparte (tussen)categorie: het speciaal basisonderwijs (SBO), wat overigens formeel niet onder het speciaal onderwijs valt. Op SBO-scholen krijgen leerlingen hetzelfde programma als in het reguliere basisonderwijs, maar zijn de klasssen kleiner, is er meer begeleiding en krijgen de leerlingen meer tijd (uitloop tot 14 jaar). Tot 1998 heetten deze scholen LOM (voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden), MLK (moeilijk lerende kinderen) of IOBK (in hun ontwikkeling bedreigde kleuters).

Simpel gezegd is speciaal onderwijs bedoeld voor kinderen met een zekere handicap of achterstand. Kies&Co richt zich ook op achterstand, maar daarbij gaat het niet om kínderen met een achterstand, maar om achterstanden in de leefomgeving waarin zij opgroeien.
Kies&Co Burgerschapsonderwijs is dus geen speciaal onderwijs.

Bijzonder onderwijs

Met bijzonder onderwijs bedoelen we in Nederland onderwijs op scholen die hun eigen visie of grondslag uitdragen. In België heet dit vrij onderwijs. Die grondslag kan een godsdienstige overtuiging zijn (protestants-christelijk, rooms-katholiek, gereformeerd, islamitisch, e.d.) of een maatschappijvisie of onderwijskundige richting (Dalton, Jenaplan, Montessori, Vrijeschool, e.d.).
Om de aard en achtergrond van het bijzonder onderwijs te begrijpen gaan we even terug in de geschiedenis:

Vóór 1800

hoofdelijk onderwijs voor de gegoede burgerij

Tot circa 1800 was het onderwijs in Nederland een private aangelegenheid. Kinderen uit gegoede kringen kregen onderwijs van huisleraren of in klasjes bij de leraar thuis. Voor de minder gegoeden waren er scholen die uitgingen van diaconie, vroedschap, ambachtsheer of particuliere schoolhouders. De leerlingen kregen individueel (hoofdelijk) onderwijs, met alle leeftijden door elkaar in overvolle lokalen. Lijfstraffen waren normaal. De leerlingen kregen les in rekenen, lezen en schrijven, maar vooral in het nazeggen van religieuze teksten.

1800 tot 1917

art-gs-1850
klassikaal onderwijs, met griffel, lei en ganzenveer

Pas na 1800 werd klassikaal onderwijs ingevoerd en lijfstraffen vervangen door een lichte tuchtiging en beloning. De scholen waren voor jongens en meisjes, die gescheiden van elkaar zaten in klassen met tot wel 100 leerlingen! Het vakkenpakket werd (vanaf 1857) uitgebreid met Nederlands, Geschiedenis, Aardrijkskunde, Kennis der Natuur, Vormleer (meetkunde) en Zingen. Er was nog geen leerplicht, waardoor veel kinderen uit de lagere standen geen onderwijs kregen en analfabetisme geen zeldzaamheid was.

De Onderwijswet van 1806 bepaalde dat alle onderwijs openbaar en voor iedereen toegankelijk moest zijn. Dat hield in dat de school algemeen christelijke deugden onderwees, los van de verschillende geloofsrichtingen. Joodse scholen en katholieke scholen in het zuiden kregen een uitzonderingspositie. Na 1848 kwam er meer ruimte voor bijzonder onderwijs, maar in eerste instantie zonder financiële steun van de overheid.

art-gs-chrschoolDoor verschillende opvattingen over geloof, politiek en samenleving rees er verzet, wat uitmondde in de zogenaamde schoolstrijd. Die strijd ging over de vrijheid van onderwijs (in grondwet van 1848) en over de bekostiging van bijzonder onderwijs. Na een strijd van meer dan 100 jaar werd in 1917 in artikel 23 van de Nederlandse grondwet bepaald dat iedereen een school mag oprichten (op eigen grondslag), mits daarbij voldaan wordt aan een aantal door de overheid gestelde regels. Daarnaast bepaalt deze wet de financiële gelijkstelling (bekostiging door de overheid) van openbare en bijzondere scholen.

Verzuiling en ontzuiling

art-gs-kathklasDe beslechting van de schoolstrijd was cruciaal voor de opkomst van het bijzonder onderwijs en de algehele verzuiling van de Nederlandse samenleving, die duurde tot ruwweg de jaren 50 van de vorige eeuw. De verzuiling betekende een opdeling van Nederland in gescheiden ‘zuilen’, meestal op levensbeschouwelijke grondslag. Naast gescheiden scholen voor bijzonder onderwijs kwamen er ook allerlei andere instituties zoals verenigingen, partijen, vakbonden, omroeporganisaties, kranten en ziekenhuizen op bijzondere grondslag.

Met de opkomst van de welvaartsstaat en nieuwe sociale bewegingen in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw en de toenemende ontkerkelijking/secularisering en individualisering zette de ontzuiling in. Tegenwoordig is de verzuiling grotendeels opgeheven, maar zijn de restanten nog op veel plekken terug te vinden, bijvoorbeeld bij de publieke omroep. Ook het bijzonder onderwijs is te beschouwen als een overblijfsel van de verzuiling.

Zo kan het dat in de meeste Nederlandse wijken nog steeds aparte ‘verzuilde’ basisscholen staan: een christelijke, een katholieke, een openbare, enz. Inmiddels zijn daar ook islamitische scholen bij gekomen. Circa 70% van alle leerlingen gaat naar een school voor bijzonder onderwijs tegenover 30% naar een openbare school. In praktijk is bij veel scholen de oorspronkelijke grondslag overigens flink verwaterd, zowel bij de leerlingen en hun ouders als bij de scholen zelf.

Kies&Co Burgerschapsonderwijs is niet gebaseerd op een bijzondere (godsdienstige) grondslag, maar op democratisch burgerschap.
Kies&Co Burgerschapsonderwijs is dus zeker geen bijzonder onderwijs.

IDM-medKies&Co Burgerschapsonderwijs

Het uitgangspunt van Kies&Co burgerschapsonderwijs (ABD) is leren samenleven (democratisch) door participatie (actief). Vandaar ons motto: iedereen doet mee!
In onze visie loopt de weg naar burgerschap langs twee hoofdroutes:

  • de weg naar ik (en jij)
    (identiteitsontwikkeling)
  • de weg naar wij
    (samenleven, maatschappij, democratie)

Bij identiteitsontwikkeling gaat het om ontwikkeling van en reflectie op eigen idealen, normen en waarden en de eigen positie in de samenleving (Onderwijsraad 2012). Prima, maar dan zit je vervolgens met een klas (of school, wijk, samenleving) vol individuen met een allemaal een eigen mening en voorkeur. Oftewel een klas vol verschillen

Bij democratie gaat het juist om gezamenlijke waarden en spelregels. Democratie draait om de gezamenlijke mening en voorkeur (althans die van de meerderheid) om de maatschappij in te richten. Oftewel om overeenkomsten

route burgerschapDe hoofdroutes identiteit (ik) en gezamenlijkheid (wij) zijn beide even belangrijk en vormen als het ware twee rijbanen richting burgerschap. Deze moeten uiteraard dezelfde kant op, want je moet telkens heen en weer. Om beide wegen gelijktijdig/parallel te bewandelen moet de ‘scheidslijn’ overbrugd worden. Dat vraagt om:

  • de verbinding
    (overbrugging)

Bij verbinding gaat het allereerst om het leren respecteren van verschillen. Vervolgens gaat het om het leren waarderen van verschillen, oftewel in leren zien dat de mening van een ander een verrijking kan zijn, oftewel dat de optelsom van verschillende meningen meerwaarde kan bieden (1 + 1 = 3). Dat je van elkaar kunt leren en samen sterker kunt staan.
Dat inzicht opent de weg naar gezamenlijkheid en overeenkomst (of compromis) en vormt de basis voor democratisch burgerschap.

Het antwoord

De uitgangspunten van Kies&Co Burgerschapsonderwijs stroken principieel niet met de opdeling van het onderwijs in bijzondere (confessionele, op levensbeschouwelijke grondslag) en niet-confessionele (openbare) scholen. Die opdeling is een vorm van segregatie (scheiding), terwijl burgerschap juist in de kern over integratie (samengaan, verbinden) gaat.

Dat betekent niet dat Kies&Co verschillen in identiteit en grondslag niet respecteert. Sterker nog, wij zijn zelf ook burgers en beschouwen die verschillen zoals gezegd als bron van verrijking en meerwaarde! Maar voor onderwijs in burgerschap wil Kies&Co wel de verschillende basisscholen in een wijk – van welke signatuur dan ook – verbinden. Daarvoor is een extra brug tussen de deelnemende scholen nodig; een gezamenlijke, bovenschoolse aanpak .

Tegelijk vraagt burgerschapsonderwijs om verbinding met de buitenwereld/leefomgeving. Burgerschap beperkt zich immers niet tot binnen de muren van de school; actief burgerschap vraagt om verbinding met de leefomgeving en de maatschappij. Daarom koppelt Kies&Co het lesprogramma ABD aan een Kies&Co kinderwijkraad (KWR). Zo’n kinderwijkraad is in principe zelfstandig, maar vanuit de scholen tevens te beschouwen als een praktijkschool voor burgerschapsonderwijs ­ – een soort gezamenlijke, buitenschoolse dependance van de basisscholen in de wijk.

Onderwijs in burgerschap via de combinatie ABD+KWR vormt een zowel bovenschoolse als buitenschoolse aanpak.

Strikt genomen is Kies&Co Burgerschapsonderwijs dus niet speciaal en zeker niet bijzonder – al vinden wij dat zelf gewoon stiekem wel. Waar het ons om gaat is overeenstemming tussen scholen, leerkrachten, leerlingen, wijkbewoners, gemeenten en uiteindelijk tussen alle Nederlandse burgers, over waar het werkelijk om gaat:
burgerschap gaat om verbinding.

Facebooktwittergoogle_plusmail